2. Stotteren – Achtergrondinformatie

2.1 Wat is stotteren?

Stotteren is een stoornis in de vloeiendheid van het spreken. Dat betekent dat mensen spreken met herhalingen en verlengingen van klanken en lettergrepen. Ook kunnen er gespannen pauzes of blokkades optreden die het ritme van de spraak verstoren. De persoon die stottert (PDS) heeft dit niet onder controle. De herhalingen, verlengingen en blokkades worden aangeduid met de term ‘kernstotteren’. Dit is het deel van stotteren dat voor andere mensen hoorbaar is. Vaak is er ook een niet hoorbaar deel, we noemen dit secundair stottergedrag.

PDS: Persoon die stottert

Het niet hoorbare deel of secundair stottergedrag ontstaat als reactie op het kernstotteren. Mensen die stotteren, stotteren doorgaans liever niet. Zodoende probeert men de herhalingen, verlengingen en blokkades zo kort mogelijk te houden of te vermijden. Door het stotteren kan hij ook negatieve gevoelens en gedachten ontwikkelen. Hij kan bang zijn weer te stotteren. Of hij kan zich schuldig voelen omdat hij zichzelf niet kan helpen of denken dat mensen hem dom vinden. Door herhaalde gedachten en gevoelens kan hij zichzelf gaan zien als iemand die niet goed kan praten.
Enkele voorbeelden van secundair gedrag zijn:

  • Verbergen van de stotters. Bijvoorbeeld door andere woorden te kiezen of niks te zeggen. Dit gebeurt vaak uit angst, frustratie of schaamte.
  • Vechten om het gestotterde woord uit te spreken. Bijvoorbeeld door onnatuurlijk knipperen van de ogen of bewegen van armen, benen of hoofd.

Stotteren kan dus grote gevolgen hebben voor het leven van de persoon die stottert en in de omgang met andere mensen.

De mate van stotteren varieert per situatie. Bijvoorbeeld het spreken voor een groep of telefoneren kan het stotteren heftiger maken. Spreken tegen een klein kind of praten als je alleen bent, zijn voorbeelden waarin het spreken vloeiender kan worden. Zingen gaat bijna altijd vloeiend.

Figuur 1 ©Stotterinformatie.nl

Figuur 1
©Stotterinformatie.nl

2.2 Hoe vaak komt het voor?

Stotteren komt bij ongeveer 1% van de mensen voor, in Nederland dus 170.000 mensen. Bij kinderen onder de 6 jaar komt het tussen de 5% en 17% voor, bij een groot deel verdwijnt het stotteren ook weer. Hoe langer het stotteren aanwezig is hoe kleiner de kans dat het weer verdwijnt.
Meer mannen dan vrouwen stotteren. Op 1 stotterende vrouw zijn er 4 stotterende mannen. Stotteren komt over de hele wereld evenveel voor, in elke taal, land, etniciteit of cultuur.

2.3 Oorzaak

Stotteren heeft meer dan één oorzaak. Meerdere factoren zijn van invloed. De belangrijkste zijn:

  • Erfelijk. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat stotteren voor een deel erfelijk is. Bij ongeveer 80% van de personen die stotteren is het deels aangeboren.
  • Hersenen. Hersenscans laten zien dat de hersenen van mensen die stotteren iets anders funtioneren dan van mensen die niet stotteren. Of dit de oorzaak is van stotteren of een gevolg is van stotteren, is nog onduidelijk.
  • Taal. Als een kind begint met stotteren is dit meestal tegelijk met het ontwikkelen van de taal bij dit kind. Kinderen gaan langere zinnen maken en leren in korte tijd veel nieuwe woorden. Ouders zeggen weleens: “hun mond kan het denken en de taal niet bijhouden”. Er zijn kleine verschillen gevonden in taal tussen wel en niet stotterende kinderen. Meertalig opgegroeide kinderen stotteren niet meer dan andere kinderen.
  • Persoonlijkheid. Er is geen oorzaak van stotteren gevonden in persoonlijkheid. Emotionele problemen zijn vaak een reactie op het stotteren, een kind wordt bijvoorbeeld boos door zijn stotters.
  • Omgeving. Een stressvolle gebeurtenis, zoals een verhuizing, kan stotteren uitlokken of in stand houden.
  • Ervaringen. Door de ervaringen die het kind met stotteren heeft kan het stotteren zich verder ontwikkelen. Stel een kind denkt op een woord te gaan stotteren en hij kiest daarom snel een ander woord waarop hij niet stottert. Dan wordt hij beloond door een gevoel van opluchting. Hij zal volgende keer weer proberen een ander woord te kiezen. Dit lijkt een goede oplossing, maar zorgt juist dat het probleem groter wordt.

2.4 Verloop van stotteren

Kinderen maken in de leeftijd van 2 tot 5 jaar een periode door waarin de spraak onvloeiend wordt. Deze periode valt samen met de ontwikkeling van de spraak en taal. Deze onvloeiendheden worden ‘normale onvloeiendheden’ genoemd en ze bestaan uit bijvoorbeeld herhalingen van woorden of zinsdelen, stopwoordjes als ‘euh’ en het opnieuw beginnen van een zin halverwege. De meeste kinderen merken de onvloeiendheden zelf niet op.
Bij jonge stotterende kinderen komen deze normale onvloeiendheden ook voor. Daarnaast hebben zij een ander soort onvloeiendheden dat meer op stotteren lijkt. Het stotteren begint vaak met de ‘normale onvloeienden’ waarbij het kind de eigen onvloeiendheid niet of nauwelijks opmerkt. Daarna wordt het stotteren vaak herkenbaarder, het secundaire gedrag kan toenemen en er kunnen gevoelens en gedachten over het stotteren ontstaan. De ontwikkeling kan in een aantal stappen gaan of het kan ook in één keer in volle omvang aanwezig zijn.

Als het stotteren langer aanwezig is neemt de kans dat het vanzelf weer verdwijnt af. De kans dat het kind van het stotteren af komt is het grootst tot zijn 7e jaar. Vanaf 8 jaar wordt de kans op herstel steeds kleiner. Het verdwijnen van stotteren bij adolescenten en volwassenen is nog steeds mogelijk, maar is zeldzaam.

2.5 Impact op het leven

Het niet vloeiend spreken en de mogelijke angst, schaamte of frustratie hierover kunnen ertoe leiden dat de persoon die stottert (PDS) minder eigen keuzes in het leven maakt.

Een voorbeeld:
Piet stuurt een mail, terwijl bellen eigenlijk handiger is. Hij gaat nu het stotteren uit de weg. In eerste instantie lijkt dit relatief onschuldig gedrag, de mail kan ook z’n werk doen. Maar de angst om te bellen kan groter worden en Piet stuurt vervolgens bijna altijd een mail. Wat als Piet een leuke baan misloopt omdat erover gebeld moest worden?
Een ander voorbeeld is dat er angst is om mensen aan te spreken of dat de stotterende persoon ervoor kiest niks te zeggen in groepen. Zo kan een stotterende tiener op school weinig vrienden hebben of die ene leuke jongen of meisje niet mee uit durven te vragen. Ook kan het leiden tot het pesten van kinderen.

Stotteren kan ernstige gevolgen hebben op de kwaliteit van leven van de persoon die stottert

De juiste therapie kan ervoor zorgen dat beperkingen verminderd of weggenomen worden, zodat de persoon die stottert mee kan doen in de maatschappij. Hij kan dan zijn eigen keuzes maken en zich niet laten beperken door zijn stotter.


–> Verder naar hoofdstuk 3
<-- Terug naar hoofdstuk 1