3. Behandelen van kinderen tot 6 jaar

3.1 Vroeg behandelen

Op latere leeftijd kan stotteren hardnekkig zijn en lastig te behandelen. Sommige kinderen die beginnen te stotteren stoppen er ook weer mee zonder een behandeling. Het is niet duidelijk hoeveel en welke kinderen weer stoppen met stotteren. De kans dat het kind van zijn stotteren afkomt is tot zijn 7e het grootst. Na zijn 7e neemt deze kans af.
Ouders van kinderen die stotteren zeggen regelmatig dat zij te laat zijn doorverwezen naar de logopedist of logopedist-stottertherapeut.

Vroeg behandelen = grotere kans op herstel

3.2 Wanneer behandelen?

De resultaten van therapie op jonge leeftijd zijn goed. Daarom is het belangrijk dat er wordt doorverwezen naar een logopedist zodra een kind gaat stotteren. Voor het vroeg herkennen van stotteren wordt de Screenings Lijst Stotteren (SLS) het meest gebruikt en deze kan door iedere ouder ingevuld worden. Het is een vragenlijst met enkele vragen. Op www.stotteren.nl is de lijst gratis in te vullen.

De SLS geeft aan of er contact moet worden opgenomen met een logopedist of logopedist-stottertherapeut. Deze zal het stotteren in kaart brengen en gezamenlijk met de ouders een plan van aanpak opstellen. Vaak wordt een periode van aankijken afgesproken. Ouders leren het stotteren van hun kind te beoordelen en op te schrijven. Die gegevens gaan naar de logopedist die er actief bij betrokken blijft. Dit heet monitoren. Het monitoren gebeurt in principe gedurende 1 jaar. De belangrijkste vraag bij monitoren is: gaat het stotteren vanzelf weer weg of moet de behandeling gestart worden?

In de richtlijn stotteren staan de volgende adviezen (zie ook figuur 2):

  • De behandeling van stotteren begint voordat het kind 5 jaar is.
  • Er wordt 1 jaar gemonitord om te kijken of het kind vanzelf herstelt.
  • Na dat jaar begint de logopedist met behandelen als de laatste 3-6 maanden het stotteren niet is afgenomen.

Er zijn uitzonderingen:

  • De logopedist start de behandeling direct indien:
    • het kind lijdt onder het stotteren
    • ouders bezorgd zijn over het stotteren
    • het kind minder (of helemaal niet meer) wil praten of communiceren
  • De logopedist kan ook na 6 maanden monitoren beginnen met behandelen in plaats van een jaar. De logopedist moet dit beslissen en houdt hierbij rekening met factoren zoals: stotteren in de familie, andere stoornissen, verminderde spraak- en taalvaardigheden en/of het temperament van het kind.
Wanneer behandelen ©Stotterinformatie.nl

Wanneer behandelen ©Stotterinformatie.nl

3.3 Welke therapie?

Het is niet gemakkelijk om een therapie te kiezen die bij u en uw kind past. Er zijn meerdere therapieën en programma’s en informatie is lastig te vinden. Voor de richtlijn is gezocht naar wetenschappelijk onderzoek naar welke manier van behandelen effectiever is dan een andere. Op deze manier is geprobeerd een betrouwbaar antwoord te geven.

In Nederland zijn twee therapieën gangbaar voor kinderen onder 6 jaar: het Lidcombe Programma (LP) en therapie op basis van het Verwachtingen en Mogelijkheden Model / Demands and Capacities Model (DCM).

Er zijn overeenkomsten tussen beide programma’s. De logopedist en ouders werken nauw samen. De ouders worden co-therapeut, zij zijn immers de meeste tijd samen met hun kind. De logopedist geeft ouders informatie en leert ze bepaalde vaardigheden. Op afgesproken tijden kunnen de ouders thuis met hun kind aan de slag. Ze bespreken dit steeds met de logopedist. De logopedist is in het begin vooral met de ouders bezig, we noemen dit “indirecte therapie”. De ouders brengen dit op het kind over. Zowel bij Lidcombe als bij DCM is het van belang dat gekeken wordt welke elementen van de therapie voor dit kind goed werken. Bij beide therapieën is het de bedoeling dat het kind zoveel mogelijk vloeiend spreken ervaart.

Het Lidcombe Programma is een gestructureerd programma waarin het kind leert om het stotteren af te zwakken en het vloeiend spreken te versterken. De logopedist kijkt samen met de ouders op welke manier dit goed werkt voor het kind. Ouders leren hoe ze vloeiende spraak kunnen uitlokken bij hun kind en hoe ze dit moeten belonen.
DCM gaat er vanuit dat stotteren ontstaat omdat de verwachtingen die aan vloeiend spreken worden gesteld hoger zijn dan de mogelijkheden van het kind om vloeiend te spreken. Die verwachtingen kunnen vanuit het kind zelf of vanuit de omgeving komen, de logopedist kijkt hiernaar. De mogelijkheden voor vloeiend spreken zijn voor ieder kind anders. De therapeut kijkt naar de mogelijke invloed van taal, motoriek, gedachten en gevoelens. Vanwege de verschillen per kind gaan logopedist en ouders samen de belangrijkste onderdelen voor dit kind na. Zo worden werkpunten vastgesteld. Het doel is om de verwachtingen en mogelijkheden meer in evenwicht te krijgen.

Er zijn andere methodes dan Lidcombe en DCM, maar daarvan is in onderzoek niet aangetoond dat deze effectief zijn. Lidcombe en DCM hebben ongeveer hetzelfde resultaat volgens de wetenschap. De praktijk leert dat het kan verschillen welke therapie aanslaat bij een bepaald kind en diens ouders. Daarom moet samen met de ouders bepaald worden welk programma de voorkeur heeft. Alleen als een logopedist een extra cursus heeft gevolgd kan hij het Lidcombe Programma aanbieden. Therapie op basis van DCM kan door elke logopedist worden aangeboden.

Voorbeeld: Senne
De ouders van Senne komen met hem bij de logopedist. Na een periode van monitoren (zie 3.2) neemt het stotteren van Senne (nu 3,5 jaar) niet af. Daarom besluiten ouders en logopedist dat de behandeling gestart moet worden. De logopedist heeft een uitgebreid onderzoek gedaan en kent Senne en zijn ouders door de periode van monitoren al een tijdje. Na beide therapie-mogelijkheden doorgenomen te hebben wordt gekozen voor therapie op basis van DCM. In overleg besluiten ze aan de slag te gaan met de ‘interactietijden’*. De ouders leren dat als Senne iets gezegd heeft 2 tellen te wachten voordat ze antwoord geven. De logopedist heeft dit geoefend met de ouders en nu gaan ze het thuis proberen. In de daaropvolgende sessie zeggen ze tegen de logopedist: “We vonden het in het begin lastig om te doen, het is anders dan we gewend zijn. Je merkt wel dat hierdoor rustiger wordt gepraat thuis en dat Senne al wat makkelijker en vloeiender gaat praten.” Na een tijdje proberen blijft Senne toch nog wat stotteren en ouders en logopedist gaan proberen de ‘interactietijden’-aanpassing aan te vullen met een andere methode*/**. Na een tijd blijkt Senne van het stotteren af te zijn. Er wordt afgesproken te stoppen met therapie en na een half jaar nog eens te bellen om te kijken hoe het gaat. Ouders weten dat ze altijd eerder contact op kunnen nemen als daar reden toe is.

*Er zijn meerdere therapie mogelijkheden en oefeningen. Het is belangrijk dit samen met de logopedist te verkennen en te kiezen wat het best bij jou en je kind past
** Tijdens de therapie komt waarschijnlijk meer dan alleen ‘interactietijden’ aan bod. We gebruiken 1 onderdeel om het voorbeeld van Senne niet te lang te laten worden.

Let op! Voor iedereen zijn andere oefeningen geschikt, er zijn dan ook meerdere mogelijkheden om te oefenen in een therapie. Wat voor de één werkt, kan voor de ander juist averechts werken. Het is belangrijk dat je dit altijd samen met je logopedist bepaalt!

Aanbeveling:
In overleg met ouders moet bepaald worden welk programma de voorkeur heeft, Lidcombe of DCM

–> Verder naar Hoofdstuk 4
<-- Terug naar Hoofdstuk 2